Twitter


Jaarsma & de Boer

Trainen met Joost


>> Foto's
Artikel van www.tourkoorts.nl geschreven door Erik Jan Jansen
Van tijd tot tijd kom ik hem tegen, een oranje schicht die ergens aan de horizon voorbijschiet in het Nederduitse grenslandschap waar we beiden onze rondjes trappen. Recent is de ontmoeting wat directer; Joost, met in zijn wiel neef Jelle, komt vanaf de grens Enschede binnenrijden, als ik zelf aan kop van mijn winterpeloton de tegenovergestelde richting op rij.
 
Mijn uitgestoken handgroet wordt niet beantwoord, een plots opduikend derde clubje heren op modderige mountainbikes neemt het niet zo nauw met de verkeersregels en leidt ons af. Daarnaast begrijp ik Joost wel met mijn 43 jaar ben ik een van de jongste leden van het bontgekleurde wielergezelschap dat in bedaard tempo oprukt naar de grens. Dikke buiken in strakke kleren op stalen fietsen uit zijn geboortejaar, welke prof kan hen nog serieus nemen?

Dan is hij uit het blikveld verdwenen en ik besef dat het één van de laatste keren is dat ik hem in de bekende oranje outfit zal tegenkomen. Joost heeft net een paar dagen voor deze ontmoeting bevestigd dat hij de ploeg, waar hij groot werd, inderdaad gaat verlaten. Om te gaan rijden in Luxemburg, het land waar fietsers braaf wachten voor een rood verkeerslicht en de heuvels steil en venijnig zijn, maar vooral het land waar hij in 2008 de eindzege behaalde in de vierdaagse Ronde van Luxemburg.
 
Rijden voor het droomteam van de Schleck-broeders, genoemd worden als favoriet in de voorjaarsklassiekers, Joost heeft deze winter flink wat werk te verzetten. Dat werk verricht hij niet alleen op de weg. Twee keer per week traint Joost in een sportschool, gevestigd in een oud fabrieksgebouw dicht bij het centrum van zijn woonplaats Enschede. Onder leiding van personal trainer Robbie Mulder werkt hij daar aan zijn ’rompstabiliteit’.
 
Tijd voor een verhaal dus. Maar wel één die niet vanaf de zijlijn geschreven gaat worden, aldus trainer Robbie. “Sportspullen aan en meedoen, anders geen verhaal‘.
 
Robbie wacht mij aan het barretje van de sportschool op. Tijdens een kop koffie neemt hij de training van vandaag door. Joost is al aan het opwarmen in het bescheiden sportzaaltje. Met soepele tred werkt hij een looptraining van tien kilometer af op het rubber van de loopband. Op zijn gezicht is geen spoor van inspanning af te lezen, op een enkele zweetdruppel na.
 
Ondertussen draai ik warm op een apparaat met allerlei uitsteeksels. Trainer Robbie kijkt streng toe dat de hartslag in de goede zone komt; “120 tot 140, de optimale hartslag voor een duurtraining”. Joost heeft zijn 10 kilometer erop zitten en verdwijnt richting kleedkamer, “even een droog shirtje aantrekken”. De telefoon gaat mee, de aanstaande vader kan elk moment te horen krijgen dat de bevalling is begonnen.
 
Even later Joost opent de training met een serie squats, de voeten goed in lijn, het gewicht achter op de hakken. Trainer Robbie geeft aanwijzingen en corrigeert met zijn handen. “Diep door de knieën, rustig omhoogkomen” geeft hij aan. Ondertussen telt hij af maar dat laatste gaat hem beduidend minder goed af dan aanwijzingen geven. Het zal de running gag van de training zijn blijkt als Joost hem keer op keer moet verbeteren. Steeds als Robbie aangeeft dat er nog zeker drie keer door de knieën gegaan moet worden, maakt Joost hem duidelijk dat hij toch echt al met de laatste bezig is.
 
Dan is het mijn beurt. Ik heb, door de zoeker van de camera, goed gekeken hoe het moet en stap stoer naar voren. Het gaat direct mis, mijn trainingspartner is een kop groter en de metalen staaf ligt onbereikbaar hoog. Als dat probleem opgelost is kan ik van start. Ik duik op volle snelheid de diepte in, vlieg omhoog en kan nog net mijn evenwicht bewaren.
 
Onze training wordt gadegeslagen en van commentaar voorzien door een oudere bodybuilder in een kort rood broekje. Terwijl deze breed besnorde heer met gemak een aantal oefeningen doet, is de inspanning duidelijk af te lezen van het gezicht van de wielrenner. De barbell, de twee meter lange metalen staaf waaraan de gewichten geschoven worden, weegt leeg al twintig kilo. Joost verslaat me met twintig kilo als hij bij de laatste serie squats 70 kilo omhoog drukt. Ik heb er dan al de brui aangegeven, vijftien keer met een gewicht van 50 kilo door de knieën gaan is mijn limit.
 
Zwaarder gaat het niet. “We moeten natuurlijk wel rekening houden dat we zo’n rennerslichaam niet zo kapot trainen dat het niet meer de fiets op kan”, legt trainer Robbie uit. Het zijn woorden die ik twee dagen later nog goed voor de geest heb als ik voor een stoeprand sta en niet weet hoe ik daar van af moet komen. Een dag later is de spierpijn nog erger en stel ik zelfs mijn fietsvrienden teleur omdat ik de wekelijkse tocht moet afzeggen.
 
Achteraf begrijp ik dat Joost na zijn eerste training in dezelfde situatie verkeerde. Ook bij hem was de spierpijn zo groot dat hij een volgende krachttraining moest afzeggen. Het geeft aan hoe zwaar en intensief de oefeningen zijn. Een vergelijking met de Tour de France komt op. Ook daar is het afzien geblazen en niet alleen van de inspanning. Het hele gekkenhuis, de schreeuwende mensenmassa, veroorzaakt elke Tour standaard bij Joost een week lang een zere nek. Dan treedt de gewenning in en verdwijnt de pijn.
 
Dat er in de sportschool ook al sprake is van gewenning blijkt bij het volgende onderdeel, de deadlift. Met een holle rug brengt Joost de kale barbell naar beneden totdat het lichaam stokt. Dan zakt hij door in een diepe zit, opnieuw een loodzware oefening maar hij maakt zich meer zorgen om de foto’s die ik van hem maak. “Dat geheugenkaartje neem ik straks mee”, grapt hij als hij de sluiter hoort klikken bij weer een oncharmante positie. Even ben ik bang dat hij serieus is en er mee vandoor gaat terwijl op mijn dieptepunt zit. Dan verzet mijn lichaam zich zo hevig tegen de spierverscheurende krachtsinspanning dat het me niets meer kan schelen.
 
Dan pakt Robbie de barbell weer en zet Joost aan het werk. Als een renner die ‘s morgens vroeg op het parcours de laatste 200 meter voor de finish verkent, zwaait hij even later geconcentreerd met de metalen staaf rond. Een oefening om de spieren in de rug te versterken, hard nodig voor de perfecte zit in de beugels. “Je kunt niet winnen als je er maar 98 procent voor gaat, winnen doe je alleen als je er 100 procent voor gaat”.
 
In het sportzaaltje trainen meer mensen, geen strakke zonnebankgebruinde sportschooltypes, maar enkele heren van middelbare leeftijd. Het zijn vaste klanten, die weten wie de renner is, maar in hem een gelijke zien die net als zij aan het afzien is. Het past in de mentaliteit van de Tukker, doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Joost voelt zich duidelijk op zijn gemak.
 
Terwijl Joost nog bezig is met het rondzwaaien van de metalen staaf, zet trainer Robbie een bench neer en luidt voor mij de bel voor de volgende oefening. In zijn handen een imposante massieve rode bal waarop in dwingende letters “Icey 3 kg”valt te lezen. Dan legt hij uit “Ik gooi de bal, die vang je op, aantikken op de borst, met gestrekte armen naar achteren en naar mij gooien“.
 
Het is een intensieve maar prettige oefening. Even vergeten we waar we zijn en worden kleine jongens, die op het trapveldje in de weer zijn met een bal. Als we van plek wisselen druk ik de renner mijn camera in handen met het verzoek om een paar mooie plaatjes te schieten van mij. Posthuma aarzelt geen seconde en laat zien over een scherpe blik te beschikken. Even later ligt hij op de grond, tussen de benen van de trainer door te fotograferen.
 
Diezelfde scherpe blik gaat hij komend seizoen natuurlijk gebruiken. Op de vraag welke koersen hij gaat rijden, en belangrijk, of de Tour de France daar bij zit, geeft Joost liever nog geen antwoord. “Ik weet het wel, maar het team heeft dat nog niet bekend gemaakt”. Dat er in ieder geval een grote koers tussen zit laat hij wel doorschemeren. Wat zijn rol daarin zal zijn, is duidelijk: de kopman ondersteunen in zijn poging om voor de ultieme winst te gaan.
 
Zin in het komende seizoen heeft hij zeker. Of er veel gaat veranderen door voor een Luxemburgs team te gaan rijden? De renner verwacht van niet. Er zullen wat meer bezoekjes aan het team in het belastingparadijs zijn, maar een groot deel van de trainingsrondjes zal gewoon gereden worden waar hij ze nu ook al rijdt, het prachtige Twentse grensgebied. Mooi is het daar, hij kan met volle teugen genieten van het landschap en de natuur.
 
Het is tijd voor de laatste oefening. Handen op de grond, voeten op de bench en rustig en geconcentreerd om en om een been optillen. Na alle oefeningen is het bijna een opluchting. Ik mag de versimpelde versie doen en onthoud deze goed om thuis te herhalen. De tien minuten ontspannen uitfietsen op een hometrainer is een godsgeschenk voor mijn benen, eindelijk iets wat ze gewend zijn. Even later is het een genot om onder de douche te staan en het hete water over mijn vermoeide lijf te laten stromen.
 
 
Een paar dagen later ontvang ik via twitter een ‘@tje’van Joost. “Ik hoor verhalen over spierpijn van de training bij de sportschool, a.s. dinsdagmorgen het vervolg? Nog sterkte, ik weet hoe het voelt ;-)”
 
Laf tweet ik terug dat ik helaas verhinderd ben, maar graag nog een keer kom aanschuiven. Ook de twee trainingen daarop laat ik afweten. De derde gaat niet door, op de vrijdagmorgen van 17 december, valt op datzelfde twitter te lezen dat Joost net vader is geworden van een aanstaande wielrenner, zoon Finn... Hij ziet af van een bezoek aan de sportschool en richt zijn aandacht op zijn gezin.